Natte Materialen
WETHOUSE onderzoekt hoe biomassa uit wetlands zowel de materiële als ecologische basis van architectuur kan vormen. Het project begint met paludicultuur: de teelt van wetlandplanten zoals riet, lisdodde, zegge en wilg op natte of opnieuw vernatte landschappen. Planten die vaak worden gezien als landbouwafval, invasieve groei of marginale biomassa, worden hier opnieuw begrepen als biobased bouwmaterialen. Ze kunnen worden verwerkt tot isolatie, wandpanelen, geweven schermen, rietbedekking en klei-vezelcomposieten voor de bouw van een kas. Zo vraagt WETHOUSE hoe architectuur kan groeien uit natte grond, in plaats van afhankelijk te zijn van industriële materialen die losstaan van ecologische cycli.
Circulaire Kas
In plaats van de kas te zien als een afgesloten object, stelt WETHOUSE haar voor als onderdeel van een circulair wetlandsysteem. Het paviljoen wordt gebouwd uit wetlandbiomassa en functioneert tegelijkertijd als huishoudelijke wetlandinfrastructuur. Het vangt regenwater op, houdt vocht vast, ondersteunt plantengroei, cultiveert nieuwe biomassa en creëert habitat. Regen die door het dak wordt opgevangen, wordt irrigatie voor wetlandgewassen en verbindt zo water, teelt, materiaalproductie en dagelijks leven. Binnen deze cyclus wordt de kas zowel gebouw als ecologisch apparaat, een structuur die deelneemt aan wetlandherstel in plaats van architectuur te scheiden van land en water.
Levend Prototype
Tijdens Dutch Design Week ontmoeten bezoekers WETHOUSE als een gedeeltelijk kaspaviljoen en architectonisch fragment. De installatie functioneert als tentoonstelling, ruimtelijk prototype en plek om te zitten, te pauzeren en te lezen. Waterdichte posters op de rietpanelen tonen het proces van paludicultuur en biomassaoogst tot materiaaltransformatie, architectonische assemblage, kasconstructie en wetlandregeneratie. Door door het paviljoen te bewegen of erin te rusten, ervaren bezoekers WETHOUSE niet alleen als object, maar als een werkend prototype voor architectuur die uit natheid zelf groeit.